
Na de verwoestende overstromingen in Pakistan en Indonesië in 2025 klinkt uit Islamabad en Jakarta één boodschap: het Westen moet betalen. Maar activisten wijzen naar ontbossing, bouw in rivierbeddingen en wegkijkende overheden.
Ooit vormden de desa’s hechte gemeenschappen in de Indonesische regio Paya Bakong, het zwaarst getroffen gebied in Atjeh. Als linten van eenvoudig gebouwde huizen met golfplaten daken slingerden ze tot aan de horizon, omringd door rijstvelden en met de moskee als middelpunt. Totdat afgelopen december het water kwam. Eerst langzaam, tot de onophoudelijke regenval de straten veranderde in verwoestende rivieren. Na een etmaal was alleen het gebedshuis nog over, in een lege vlakte van grijsbruine modder met puin en overal boomstammen.
Als oorzaak noemt de Indonesische president Prabowo klimaatverandering. Hij toonde weinig belangstelling om zelf poolshoogte te komen nemen. Later bezocht hij onder druk toch het rampgebied, maar zag daar geen noodzaak de noodtoestand af te kondigen. Dat zou immers betekenen dat de landelijke en niet de provinciale regering financiële verantwoordelijkheid zou dragen voor de hulpverlening. “Het Westen is de grootste vervuiler. Het internationale klimaatfonds moet maar uitkeren.” Met die boodschap vertrok Prabowo weer naar de hoofdstad en liet de bevolking met lege handen achter.
Dikke laag modder
Bijna een half jaar na de ramp ligt Paya Bakong er nog even treurig bij. Mensen wonen in zelfgemaakte tenten rond de moskee. Ze hebben honger, want de rijstvelden zijn nog steeds bedekt met een dikke laag modder. Wegen zijn nauwelijks begaanbaar. In het Noord-Sumatraanse stadje Parapat steekt activist Delima Silalahi haar ergernis niet onder stoelen of banken. “Mensen zijn op de vlucht geslagen, de bergen in, op zoek naar schoon drinkwater. Hulp heeft hen nauwelijks bereikt”, zegt ze verontwaardigd. “De reactie van Prabowo is het bewijs dat burgers worden opgeofferd door de staat”, vindt Delima. “De economie gaat voor. Niet klimaatverandering, maar de grote bedrijven in Sumatra hebben de overstromingen veroorzaakt. Miljoenen bomen werden gekapt voor de palmolie- en papierindustrie. Deze bedrijven vernietigen ons milieu. Maar door het Westen de schuld te geven, blijven zij buiten schot. We oogsten nu wat de Indonesische oligarchie heeft gezaaid.”
Delima voerde jarenlang strijd tegen papiergigant Toba Pulp Lestari. Door goede relaties met de overheid (lees: corruptie, aldus Delima) kreeg het bedrijf houtkapconcessies op het voor ouderlijke land van de Batakgemeenschappen. Delima eiste bij de rechter dat hun land werd erkend als inheems bos, hutan adat, zodat de papierindustrie niet langer bomen mocht kappen. Ze won de zaak: meer dan 7 duizend hectare inheems bos ging terug naar zes Batakgemeenschappen. Delima ontving er in 2022 de Goldman Environmental Prize voor. Dit alles tot grote woede van de papierindustrie. Activisten worden op verzoek van Toba Pulp Lestari steeds vaker gearresteerd, maar ook lokale bendes bedreigen Delima. In de pers wordt ze afgeschilderd als iemand die de lokale economie schade toebrengt. Ze houdt haar mobiele telefoonnummer liever geheim.
Moratorium
Delima werkt samen met milieuorganisatie Sawit Watch, die in heel Indonesië de gevolgen van de palmolie-industrie onderzoekt. Hun recente rapport bevestigt haar conclusie: niet klimaatverandering, maar (illegale) palmolieplantages zijn de grootste oorzaak van de verwoestende overstromingen in Sumatra en Atjeh.
“Er zijn in de afgelopen jaren te veel oliepalmen geplant en te veel oorspronkelijke bossen gekapt”, zegt Sawit Watch-directeur Achmad Surambo. Uit berekeningen blijkt dat in Sumatra meer dan 10 miljoen hectare is opgeslokt door palmolieplantages, terwijl de grond niet meer dan 1,53 miljoen hectare aankan. “Door overaanplant verliest de bodem zijn natuurlijke sponsfunctie. Als er dan plotseling te veel regen valt, kan het water niet worden opgenomen en ontstaan aard- of modder verschuivingen.”

De ecologische ramp is volgens Achmad een waarschuwing van de natuur. Hij maakt zich grote zorgen over de oprukkende palmolieplantages sinds in 2021 het moratorium met Noorwegen afliep. In 2010 beloofde dat land Indonesië 1 miljard dollar aan financiële steun als er geen nieuwe kapvergunningen zouden worden uitgegeven. Noorwegen doet dit omdat het zich internationaal profileert als klimaatleider en via een overheidsfonds klimaatprogramma’s in andere landen financiert om ontbossing te stoppen. “Sinds het moratorium tussen Indonesië en Noorwegen afliep, kwam er al een miljard hectare aan palmolieplantages bij. We boden ons onderzoek bij de Noorse ambassade aan, maar die toonde geen belangstelling.”
De stem van het geld
Aan de andere kant van de Indonesische archipel, in de dichte wouden van Zuid-Papoea, hoopt Mama Laurensia Yame – zoals haar mede-Awyu haar noemen – op een nieuw moratorium. Nu Noorwegen geen interesse meer heeft, kan Europa dat wellicht met Jakarta regelen. Tussen 2000 en 2020 verdween meer dan 641.400 hectare natuurlijk bos. In 2025 alleen al verloren de Papoea’s, waartoe de Awyu behoren, 25.300 hectare grond. “Als het palmoliebedrijf zijn zin krijgt, blijft er niets over van het woud en van ons. Dan sterven wij Awyu uit”, waarschuwt Mama Laurensia.
Toen het provinciale bestuur een milieuvergunning voor ruim 36.000 hectare – inclusief Mama Laurensia’s voorouderlijk land – aan palmoliebedrijf PT Indo Asiana Lestari gaf, tekenden de Awyu protest aan. In eerste instantie gaf een lagere rechtbank de Awyu gelijk en werd de milieuvergunning ingetrokken. De rechter gaf opdracht om toestemming van de lokale bevolking te vragen, maar dat gebeurde niet. Het palmoliebedrijf ging in beroep en won de zaak tot aan het Indonesische Hooggerechtshof aan toe, tot groot ongenoegen van zowel de Awyu als milieuorganisaties. “Het is de stem van het geld”, zegt Achmad van Sawit Watch. “De vorige president, Joko Widodo, beloofde de inheemse landrechten te verankeren, maar het huidige parlement maakt geen haast met wetgeving.”
Beschermvrouw
Mama Laurensia heeft voor meer hete vuren gestaan. Ze werd geboren in Wagaban, een dorp niet ver van de grens met Papoea-Nieuw-Guinea, het vroegere Nederlands-Nieuw-Guinea, dat Nederlanders tijdens de koloniale bezetting voor hun rubberteelt stichtten. In 2020 kreeg ze internationale bekendheid toen ze met haar kapmes een groep houtkappers uit haar bos joeg. “Ik sloeg met mijn machete in de struiken en schreeuwde dat ze moesten vertrekken en nooit meer terugkomen. Ze renden het bos uit.” Sindsdien staat ze bij de Awyu bekend als de beschermvrouw van het woud. Mama Laurensia schrikt er niet voor terug opnieuw planters uit haar bos te verjagen. Hoe ervaart zij klimaatverandering in haar woud? “We zien dat hoe meer bossen verdwijnen, hoe meer de temperatuur stijgt. Regens worden onvoorspelbaar. Oogsten vallen tegen. De biodiversiteit verdwijnt.”
“We oogsten nu wat de Indonesische oligarchie heeft gezaaid”
“Bij de strijd tegen klimaatverandering gaat het niet om mensen”, concludeert Achmad van Sawit Watch, “maar om fondsen, beleidsdocumenten en macht. We moeten stoppen klimaatverandering als een technisch probleem te beschouwen dat opgelost kan worden met fondsen en internationale deals.” Hij zoekt zijn hoop niet meer in internationale conferentiezalen, maar in het veld, en adviseert beleidsmakers beter te luisteren naar mensen als Mama Laurensia. Zij kan de mondiale uitstoot niet terugdringen, maar met haar generaties oude kennis zorgt ze er wel voor dat in haar gebied het ecosysteem intact blijft.
Ook Pakistan laat het afweten
In Pakistan, ook getroffen door weersextremen, klinkt dezelfde boodschap van activisten: overheden weigeren verantwoordelijkheid te nemen, omdat dat politiek beter uitkomt. Net als Indonesië gebruikt Pakistan het argument dat het voor minder dan 1 procent bijdraagt aan de wereldwijde uitstoot. Het Westen dient daarom financieel bij te dragen aan milieurampen. De Pakistaanse premier Shehbaz Sharif heeft zijn ministers op tournee gestuurd naar Europa en de VS om geld te vragen. “Maar ondertussen laat onze regering het bij iedere overstroming afweten. Er gaat nauwelijks zorg uit naar de mensen die het hardst worden getroffen”, zeggen activisten in Pakistan. Ze noemen als een van de voorbeelden de zuidelijke provincie Sindh waar sinds de overstromingen in 2022 nog steeds honderdduizenden mensen zonder fatsoenlijk dak boven hun hoofd wonen. Geen politicus die er komt. Huizen blijven instorten, waterbeheer is nauwelijks verbeterd en de illegale houtkap en ongecontroleerde bouwprojecten gaan ongestoord door.
Noodhulp
In het district Dadu, diep in het binnenland van de provincie Sindh, overstroomde in 2022 het Dadumeer. Bijna het hele gebied kwam onder water te staan. In een geïmproviseerde tent van bamboe, touw en gescheurd blauw zeil, woont Shameen met haar familie. Tijdens de ramp werd haar huis weggespoeld. Haar vee, haar enige bron van inkomsten, verdronk. Er zijn nog maar weinig hulporganisaties ter plekke aanwezig. Een van de hulpverleners die nog wel actief is, is dokter Saher. Ze wijst naar de vlakte van opgedroogde modder. “Mensen hebben lege magen, maar niemand komt hier naartoe.” Dr. Saher werkt bij de Health And Nutrition Development Society (HANDS), een ngo die met lokale gemeenschappen werkt aan gezondheidszorg. Bij overstromingen zorgt HANDS voor noodhulp. “We geven droog voedsel. Dat is alles wat we nog kunnen. Internationale fondsen zijn opgedroogd sinds president Trump de Amerikaanse hulporganisatie USAID stopzette. Van de overheid krijgen we niets.” Volgens de Integrated Food Security Phase Classification (IPC), een samenwerkingsverband van twintig internationale organisaties dat voedselzekerheid meet, hebben 6 miljoen mensen in Sindh nauwelijks te eten.

Slecht watermanagement
De overstromingen van 2022 verwoestten hele dorpen. Nieuwe overstromingen in 2025, gevolgd door droogte, verzwakten de landbouw opnieuw. De winterregens bleven uit en veehouders verloren hun dieren. Er is een groot tekort aan water. Dr. Saher: “Onze regering zegt dat het klimaatverandering is, maar ik zie ook slecht watermanagement: kanalen zijn afgesloten, er zijn te veel dammen in de rivieren gebouwd. Het regenwater kan niet weg waardoor rivieren overstromen. Maar het geven van kritiek op de regering is erg gevaarlijk.” Toch blijft ze zich openlijk in de (internationale) media uitspreken. Uit zelfbescherming geeft ze liever niet haar volledige naam. Ze wil ook niet op de foto.
“In een maand tijd zijn bijna 30.000 bomen rond Islamabad gekapt”
Dr. Saher blijft in Dadu werken, al krijgt ze nauwelijks salaris. Met beperkte middelen – een moestuin, een naaimachine, een paar geiten – helpt ze vrouwen opnieuw te beginnen. Shameen verbouwt nu groenten, die ze deels verkoopt op de markt. “Zonder structurele steun blijft die bestaanszekerheid wel kwetsbaar”, zegt dr. Saher. “Als het regent, spoelt alles opnieuw weg.”
Boskap rond Islamabad
In de Pakistaanse hoofdstad Islamabad klinkt andere, maar verwante kritiek. Alia Amir Ali, actief binnen de marxistische Awami Workers Party, wijst naar de heuvels rond de hoofdstad. “In nog geen maand tijd zijn bijna 30.000 bomen gekapt.” In de Margalla Hills, ooit bekend om de koele zomers en groene hellingen, stijgt de temperatuur in de zomers tot boven de veertig graden. Het stadsbestuur gaat door met de kap. “Officieel om allergieën die door moerbeibomen zouden worden verspreid te bestrijden. In werkelijkheid maken ze de grond vrij voor nieuwe woonwijken en militaire infrastructuur.”
Aan de overkant van Alia’s kantoor ligt het parlement, waar over klimaat wordt gedebatteerd. “Maar de discussie gaat niet over lokale milieuvervuiling, over de illegale houtkap, over de cementfabrieken die de heuvels in de Margalla Hills afgraven, of over ons water dat door te veel bebouwing schaarser wordt. Het debat gaat over compensatie van het Westen”, zegt Alia. “De armen betalen de prijs. Ze zijn in hun sloppenwijk afhankelijk van watertanks die steeds duurder worden.”
Massatoerisme bij gletsjers
Verder naar het noorden, in Gilgit-Balti stan, liggen meer dan 7.000 gletsjers. Het is het grootste ijsveld buiten de poolgebieden, waar de gletsjers sneller smelten dan ooit. In dit berggebied vonden afgelopen zomer de grootste en zwaarste overstromingen in de geschiedenis van het gebied plaats. Complete dorpen werden weggevaagd door plotselinge gletsjerdoorbraken.

De oorzaak ligt grotendeels in het explosief groeiende toerisme. Het noorden wordt steeds populairder als vakantiebestemming voor zowel binnenlandse als buitenlandse gasten. Hotels schieten als paddenstoelen uit de grond. De bergen kunnen de uitstoot van het massaverkeer, vooral de toerbussen, niet aan. Door de komst van veel nieuwe hotels in rivierbeddingen kan het water nauwelijks weg. Omdat de valleien smal zijn en de grondprijzen blijven stijgen, bouwen ondernemers illegaal in uiterwaarden. Grassrootsactivisten als Zahid Mehmood waar schuwen al jaren voor de risico’s.
Boven zijn dorp Hassanabad barstte deze zomer een ijsmeer. Bijna de helft van de huizen werd weggespoeld. Hulp van de overheid kwam niet. Mensen wonen bijna een half jaar later nog steeds in tenten. Van de 3.000 ijsmeren die zijn ontstaan door het smeltende gletsjerwater – die in de winter bevriezen en in de zomer bij hoge temperaturen te snel smelten – staan er 33 op barsten. “Het leven van 7 miljoen mensen is in gevaar”, zegt Zahid.
Hij vindt het schandalig dat de overheid veel geld verdient aan toerisme en tegelijk naar het Westen wijst als grootste vervuiler. Tijdens het World Economic Forum in Davos vroeg Pakistan om klimaatfinanciering. Maar zowel in Hassanabad als in Dadu, in de tent van Shameen, wachten mensen op hulp. “Hier gaat het om basishulp”, zegt dr. Saher. “Om voedsel. Om be woonbare huizen. Om klimaatrechtvaardigheid!”



Recente reacties