
San Andrés is een tropisch eilandje vlak voor de kust van Nicaragua, maar officieel Colombiaans grondgebied. Befaamd om z’n zee in zeven kleuren, trekt het eiland heel veel Colombiaanse en Braziliaanse toeristen, en Israëlische soldaten op moordverlof.
De oorspronkelijke bewoners van het eiland, de Raizal, een zwarte Engelssprekende puriteins- protestantse gemeenschap, worden door al het vakantiegeweld volstrekt weggedrukt en zijn nog slechts een minderheid.
Het eiland, dat zeventien keer kleiner is dan Texel, heeft een bevolking van 80.000 inwoners en trekt meer dan een miljoen toeristen per jaar. Dat levert enorme afvalproblemen op. Vervuiling is er ook door de ronkende motoren en scooters die overal zijn. Waar ik ook ga of sta, ik word gek van de herrie.
San Andrés kent het derde grootste koraalrif ter wereld. Het is vanwege dit rif dat ik het eiland bezoek. Ik wil weten hoe het met de kraamkamer van de Caribische Zee gaat. Eenmaal onder water huil ik mijn duikbril vol. Het koraal is morsdood en bedekt met algen. Het kwetsbare organisme is niet opgewassen tegen de hoge zee temperaturen en de massale overbevolking op het eiland, dat alsmaar meer rioolwater, plastic en chemicaliën in de kristalheldere zee brengt. Tot overmaat van ramp trok in november 2020 Iota, een type 5-orkaan, vlak langs het eiland. San Andrés bleef gespaard, maar niet het koraalrif.
Eenmaal onder water huil ik mijn duikbril vol
Halfdronken toeristen vertrappen met hun waterschoentjes wat nog in leven is. Getergde verpleegsterhaaien zwemmen nerveus rond. Ze lijken angstaanjagend, maar hebben geen scherpe snijtanden. Het maakt de dieren ‘aaibaar’. Toeristen zwemmen tot op enkele centimeters afstand, raken de haaien aan of trappen nietsvermoedend op hun kop, terwijl ze zelf lachend boven het water poseren. Nu ben ik het huilen voorbij. Schreeuwend kom ik boven water. Een groepje toeristen kijkt me verbaasd en dan lachend aan. Het is omdat het van Jezus niet mag, maar bijna bad ik dat de haai wél scherpe tanden had.
San Andrés is verwoest, so weten ook de Raizal. Hun ouderwetse kerken vormen hun laatste toevluchtsoord. Daar tref ik ze, luid biddend voor hun eiland en al die ongewenste bezoekers, aan. De zorg en liefde in hun woorden raken mij. Hoewel het bloedheet is, krijg ik kippenvel.

“We leven weer in de tijd van Noach”, zegt de predikant na afloop van de dienst. “Maar voor de storm die nu op ons afkomt, bestaat geen geschikte boot.” Slapeloos luister ik die nacht naar het bulderen van de golven en het brullende geronk van scooters. Op mijn telefoon lees ik berichten over een naderende Super El Niño. De predikant had geen woord te veel gezegd. Hoewel dit cynische weerfenomeen, als gevolg van opwarmende zeetemperaturen, om de zoveel jaar voorkomt, is er nu een op komst die zijn gelijke niet kent. Het gevolg? Extreme stormen, gruwelijke droogte, massale natuurbranden. In andere gebieden juist hevige regenval en allesvernietigende modderstromen. Naar verwachting wordt 2026 een van de heetste jaren ooit gemeten en dan moet de echte piek dit najaar nog komen.
Niet voor het eerst besef ik dat we een nieuwe ARC moeten bouwen; een actie-responscomité, om ons voor te bereiden op alles wat er op ons afkomt. Maar ook om elkaar vast te houden en te redden wat er te redden valt. En dan toch vooral geen spullen, maar heel veel dieren. Want als we dan allemaal naar de haaien gaan, dan toch wel het liefst mét hen.
Om de stormen van deze tijd het hoofd te bieden werkt Mounir Samuel – geïnspireerd door het verhaal van de ark van Noach – aan een nieuwe, moderne ARC: een Actie Respons Comité. Op Substack neemt hij de lezer wekelijks mee in zijn denken, en naar de uithoeken van de wereld waar hij leert van lokale gemeenschappen en inheemse bevolkingsgroepen. Reis mee op substack.com/@arcnewsletter (zonder betaalmuur).



Recente reacties